
Wat de Staat van het Onderwijs 2026 laat zien over onderwijskwaliteit en leiderschap.
Veel scholen en besturen werken al jaren aan onderwijskwaliteit. Er wordt gewerkt met beleid, kwaliteitszorg, verbeterplannen, data en structuren. Toch blijven dezelfde patronen terugkomen. Precies daarom is de vraag naar leiderschap en onderwijskwaliteit geen abstract debat, maar een bestuurlijke en schoolinhoudelijke noodzaak.
Wat laat de Staat van het Onderwijs 2026 zien?
De Staat van het Onderwijs 2026 beschrijft een aantal structurele patronen in het Nederlandse onderwijs.
Als het gaat om ongelijkheid, maakt het nog steeds uit waar een kind opgroeit. Regionale en sociaal-economische verschillen werken door in kansen en prestaties. Ook op het gebied van basisvaardigheden zien we een herkenbaar beeld: de resultaten voor taal en rekenen zijn terug op het niveau van vóór de coronapandemie, terwijl verdere verbetering nodig blijft.
Daarnaast laat het rapport zien dat bestuurlijke kwaliteitszorg een kwetsbaar punt is. Een aanzienlijk deel van de scholen en besturen heeft moeite met het planmatig en cyclisch verbeteren van de onderwijskwaliteit. Tegelijkertijd blijkt dat leraren er onvoldoende in slagen het onderwijs af te stemmen op verschillen tussen leerlingen. Ook leiderschap komt nadrukkelijk in beeld: schoolleiders zijn cruciaal voor onderwijskwaliteit, maar komen door werkdruk en taken onvoldoende toe aan onderwijskundig leiderschap.
Deze bevindingen zijn helaas niet nieuw. En precies daarin zit de urgentie.
Waarom verandert er dan zo weinig?
Aan aandacht ontbreekt het niet. Al jaren wordt gewerkt met beleid, kwaliteitszorg, verbeterplannen, data en structuren. Toch blijven dezelfde patronen terugkomen.
Dat vraagt om een noodzakelijke verschuiving in het denken. Naar wat er in scholen daadwerkelijk gebeurt. Waarop wordt gestuurd? Wat krijgt prioriteit? Welke normen worden expliciet gemaakt? En wat blijft onbesproken?
Juist daar wordt het verschil gemaakt. Niet door systemen op zichzelf alleen, maar in de manier waarop leiderschap richting geeft aan kwaliteit en in de mate waarin dat zichtbaar wordt.
Waar het werkelijk over gaat: onderwijskwaliteit en leiderschap
Wie de bevindingen uit de Staat van het Onderwijs 2026 in samenhang leest, ziet geen verzameling losse problemen. Ongelijkheid, verschillen tussen scholen, zwakke kwaliteitszorg en moeite met differentiatie wijzen op iets diepers: de verbinding tussen leiderschap en onderwijskwaliteit blijft te vaak impliciet.
En juist dat is het probleem.
Zolang niet expliciet wordt gemaakt welk leiderschap een school nodig heeft om de kwaliteit van het onderwijs te versterken, blijft sturing algemeen. Dan is er wel aandacht voor kwaliteit, maar onvoldoende scherpte op wat die kwaliteit vraagt. Dan blijft ook onduidelijk waarom het op de ene school anders uitwerkt dan op de andere.
Vanuit het kwaliteitskader van Excellent is dat de kern. Onderwijskwaliteit ontstaat niet vanzelf uit goede bedoelingen, structuren of interventies. Ze ontstaat in de doorwerking van leiderschap naar gedrag, keuzes en verdiepende professionele dialoog. In wat aandacht krijgt. In wat als norm geldt. In wat wel en niet bespreekbaar wordt gemaakt.
De vraag die eerder op tafel moet
De wezenlijke vraag is dus niet alleen of er wel of geen goed leiderschap is. De vraag is: past het leiderschap bij wat deze school nodig heeft?
Dat vraagt om precisie. Welke kwaliteitsopgave ligt hier? Wat vraagt deze context van leiderschap? Waar moet scherper op worden gestuurd? Wat moet explicieter worden genormeerd? En welke professionele gesprekken zijn nodig om de kwaliteit van onderwijs daadwerkelijk te versterken?
Pas als die vragen worden gesteld, ontstaat een bruikbare verbinding tussen leiderschap en onderwijskwaliteit.
Wat dat betekent voor sturing
Die verbinding moet expliciet worden gemaakt. Niet als theoretische exercitie, maar als voorwaarde voor gerichte kwaliteitsontwikkeling. Expliciet zichtbaar gemaakt leiderschap maakt het scherper bespreekbaar, ontwikkelbaar en bestuurbaar.
Dan verandert ook de betekenis van kwaliteitszorg. Niet als systeem naast de praktijk, maar als manier om écht zicht te krijgen op wat in die praktijk daadwerkelijk doorwerkt. De professionele dialoog verschuift daarmee van beschrijven naar duiden. En sturing wordt concreter, omdat duidelijker wordt waarop die zich moet richten.
Tot slot
De Staat van het Onderwijs 2026 laat opnieuw zien waar het in het onderwijs schuurt. Maar wie alleen kijkt naar systemen, mist de kern.
Onderwijskwaliteit wordt uiteindelijk gemaakt in scholen zelf. En dus in de manier waarop leiderschap daar zichtbaar richting geeft aan gedrag, keuzes en professionele normering.
Daarom is onderwijskwaliteit geen systeemvraagstuk, maar een leiderschapsvraagstuk. Pas wanneer expliciet wordt gemaakt wat de kwaliteit van deze school vraagt en welk leiderschap daarbij past, ontstaat er ruimte voor echte verbetering.
Wie scherper wil kijken naar de relatie tussen leiderschap, kwaliteitszorg en onderwijskwaliteit, moet die samenhang eerst expliciet maken. Precies daar begint gerichte ontwikkeling. Dat is ook de kern van hoe Excellent kijkt naar onderwijsadvies en analyse en duurzame onderwijsverbetering.